2. Inleiding

In dit dashboard worden huishoudens gerelateerd aan wonen. Het zijn immers huishoudens, die woonruimte bezetten. De ontwikkeling van het aantal huishoudens in samenstelling, aantal, leeftijd en inkomen is van belang voor de woningbouwopgave.
Er zijn verschillende instituten, die zich bezig houden met de ontwikkeling van het aantal huishoudens in de toekomst. Sinfore volgt wat dit betreft het CBS en het PBL.
Deze voorzien in de periode 2020 – 2040 in Wijchen een groei van zo’n 600 huishoudens. In principe betekent dit, dat de toename van het aantal huishoudens in deze periode vraagt om de uitbreiding van het aantal woningen met ongeveer 600.
Vraag is dan wat voor woningen er gebouwd moeten worden. Daarvoor is gekeken naar de ontwikkeling van het type huishouden in de komende decennia.
Opvallend daarbij is een forse groei van het aantal éénpersoonshuishoudens in de komende twintig jaar met 1100 huishoudens. Die wordt met name veroorzaakt door de toename van het aantal oudere éénpersoonshuishoudens, terwijl het aantal huishoudens met kinderen een daling laat zien. Het aantal huishoudens zonder kinderen groeit in aanvang, maar neemt volgens de prognoses later weer iets af.

Voor het karakter van de toekomstige woningvoorraad moeten antwoord gegeven worden op vragen als: moeten er meer huur- of koopwoningen gebouwd worden; hoe kunnen we langer zelfstandig wonen voor ouderen mogelijk maken en waar moeten de woningen gebouwd worden.
Om tot een interpretatie te komen van deze data worden de huishouddata in drie opzichten tegen het licht gehouden: demografie; burgerlijke staat en inkomen/ sociaal economische status en zorg.

Huishoudens en inkomen
Wat betreft het inkomen ligt er een scherpe inkomensgrens. Een woningbouwcorporatie moet tenminste 80% van de woningen toewijzen aan huishoudens met een inkomen van maximaal (prijspeil 2017) € 36.165, maximaal 10% aan huishoudens met een inkomen tussen de € 36.165 en € 40.349 en de overige 10% aan huishoudens met een inkomen hoger dan € 40.349.
Het inkomen van de toenemende groep alleenstaande 75-plussers ligt dikwijls onder de grens van de sociale huur. Dit komt in de meeste gevallen door de hoogte van het pensioen, dat meestal behoorlijk lager is dan het inkomen en het wegvallen van de partner, waardoor in veel gevallen ook een deel van het inkomen wegvalt.

Het is overigens niet zo, dat de 75-plussers met een laag inkomen en masse zijn aangewezen op een sociale huurwoning. Een toenemend aantal ouderen woont in een eigen woning en is dikwijls niet verhuis bereid. En dat kan problemen opleveren. De (soms forse) overwaarde zit in verreweg de meeste gevallen in de stenen. En de eigen woningen van ouderen liggen niet in alle gevallen in de nabijheid van voorzieningen. Dat dit bij een teruglopende mobiliteit aanleiding geeft tot problemen moge voor zich spreken. Vermogen in de stenen kan betekenen, dat het niet of minder mogelijk is om de eigen woning aan te passen in het kader van de energietransitie of de toegankelijkheid. Dit kan weer betekenen, dat een beroep gedaan wordt op gemeentelijke voorzieningen als de WMO.
Verkopen en een andere woning terugkomen is -omdat ouderen hun woningen -aldus het kadaster- dikwijls te goedkoop verkopen, niet altijd mogelijk.